Kabels en leidingen: wie is de eigenaar van een rioleringsstelsel?

11 december 2020 10:57 uur

Ook in het buitengebied hebben grondeigenaren regelmatig te maken met vraagstukken over de aanleg van kabels en leidingen. Bijvoorbeeld wanneer kabels en leidingen moeten worden aangelegd om duurzame energieprojecten op het openbare net aan te sluiten en op die manier de opgewekte stroom te kunnen transporteren. Is er in dat geval sprake van een net? En wanneer er in jouw specifieke situatie geen sprake van bestanddeelvorming met een openbaar net is… Van wie is dan de eigendom?

In het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 december 2020 is de vraag aan de orde gesteld wie eigenaar van een riool is en daarmee ook de  onderhoudsplichtige. In het arrest is zowel de wetgeving rondom het net, als de bestanddeelvorming aan de orde gekomen. Moet een rioleringsstelsel gezien worden als een net?

In deze blog sta ik stil bij deze wetgeving. Door bestanddeelvorming kan de eigendomssituatie anders zijn geworden en dit heeft consequenties voor de onderhoudsplicht.

Ik schets eerst kort de casus.

Casus KVM en rioleringsstelsel

KVM, de vereniging van eigenaren, heeft op 30 december 1971 ruim 12 hectare grond in erfpacht verworven van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders. Een van de erfpachtvoorwaarden luidt dat de erfpachter een deugdelijke riolering moet aanleggen. Op 1 oktober 1987 heeft KVM de grond in eigendom verkregen.

 

Het rioleringsstelsel aangelegd door KVM mondt uit in een put buiten het terrein van KVM. Aan de andere zijde is deze put aangesloten op een door de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders aangelegd riool. Dit laatste riool loopt onder vrij verval naar rioolgemaal RG-420, om vervolgens via een persleiding naar een aansluitpunt op het gemeenschappelijk riool te worden gepompt. Vanuit daar wordt het naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie getransporteerd. Rioolgemaal RG-420 en de zuiveringsinstallatie zijn in eigendom en beheer van het waterschap.

Bevoegd aanlegger is eigenaar (artikel 5:20 lid 2 BW)

Op grond van artikel 5:20 lid 2 BW in afwijking van lid 1 behoort de eigendom van een net, (bestaande uit een of meer kabels of leidingen, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of informatie, dat in op of boven de grond van anderen is of wordt aangelegd,) toe aan de bevoegde aanlegger van dat net dan wel zijn rechtsopvolgers.

Overgangswet nieuw BW

In artikel 155 lid 1 Overgangswet nieuw BW is bepaald dat artikel 5:20 lid 2 BW, te rekenen vanaf het tijdstip van het in werking treden van dit lid, mede van toepassing is op een net dat voordien is aangelegd, dan wel op dat tijdstip wordt aangelegd.

Rioleringsstelsel wordt aangemerkt als een net

Het gerechtshof heeft in de uitspraak van 1 december 2020 geoordeeld dat het rioleringsstelsel waar alle recreatiewoningen op het terrein van KVM op zijn aangesloten, aangemerkt kan worden als een net in de zin van artikel 5:20 lid 2 BW.

Ten tijde van de aanleg van dat rioleringsstelsel begin jaren zeventig was KVM geen eigenaar van het terrein, maar wel de bevoegde aanlegger. Dat betekent dat KVM vanaf de aanleg van het rioleringsstelsel daarvan eigenares is geweest.

Bestanddeelvorming (artikel 3:4 BW)

Het gerechtshof heeft in de uitspraak van 1 december 2020 vervolgens de vraag beantwoord of na de aansluiting van het rioleringsstelsel van KVM op het riool van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders, dit laatste riool een bestanddeel is geworden van het rioleringsstelsel van KVM.

Op grond van artikel 3:4 lid 1 BW is al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel uitmaakt van een zaak, bestanddeel van die zaak.

Hoge Raad: ProRail / Rijswijk Wonen

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat een aanwijzing of een zaak volgens verkeersopvatting als onderdeel van een hoofdzaak heeft te gelden, kan zijn gelegen in de volgende omstandigheden.

  1. De omstandigheid dat de twee zaken in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd, of
  2. in de omstandigheid dat de hoofdzaak, indien het bestanddeel zou ontbreken, als onvoltooid moet worden beschouwd in de zin, dat de hoofdzaak dan niet geschikt is te beantwoorden aan haar bestemming.

 

Het gaat om de bestemming die uit de aard van de hoofdzaak zelf voortvloeit, niet om de economische of maatschappelijke bestemming die de concrete gebruiker subjectief aan de hoofdzaak heeft gegeven. Of in een bepaald geval naar verkeersopvatting sprake is van een bestanddeel moet in het licht van alle omstandigheden van het geval worden beoordeeld (zie onder andere HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7474 en 7 december 2018 ECLI:NL:HR:2018:2256). Bron: binnenlandsbestuur.nl Lees verder>>>>